![]() |
concept: PressArt ontwerp: NaturalMedia |
|
| Weetjes uit de natuur De Grote FieClopedie Alles over waterbeestjes herfst 2006 Waterbeestjes, waar vind je die? Bijna overal kun je waterbeestjes vangen, of je nu in de stad woont of in een dorp. Een grote stad als Utrecht heeft diepe grachten, en de meeste kinderen mogen daar niet zomaar met een schepnetje in het water gaan roeren. Veel te gevaarlijk als je nog geen zwemdiploma hebt. Vraag aan je vader of moeder eerst of het mag en of ze je willen helpen. In Utrecht zijn mooie lage kades waar je vlak bij het water kunt komen en heel makkelijk beestjes kunt scheppen, maar stadsgrachten zijn diep en er leeft meestal niet erg veel in. In vijvers van parken en tuinen is het water meestal schoner en niet zo diep. Daar vind je meer diertjes. Ga als het kan ook buiten de stad zoeken in slootjes en plassen. In de kleinste slootjes vind je vaak de leukste en interessantste beestjes. Waar je veel waterplanten ziet kun je vaak ook veel verschillende soorten dieren zien. Hoe vang je ze het best? Waterbeestjes kun je het best vangen met een schepnet, gemaakt van fijn gaas. In het tuincentrum of de dierenwinkel kun je twee soorten schepnetten kopen: sterke netten voor vissers en dunnere netjes met fijn gaas voor de vijver. Die sterke netten heb je niet nodig. De gaatjes van het net zijn vaak zo groot dat de waterbeestjes er zó doorheen zwemmen. Vijvernetjes zijn voor waterbeestjes het beste, en ze zijn niet eens zo duur. Je kunt natuurlijk ook zelf een schepnet maken. Kijk maar op deze pagina. Beestjes vangen zonder net kan ook. Als je een touwtje om de rand van een jampot bindt kun je die in de sloot laten zakken en hem over de bodem trekken. Je zult er van opkijken hoeveel je daar nog mee kunt vangen. Ook een goed idee is het om te kijken of ergens de sloten worden schoongemaakt. De modder die uit de sloot komt wordt op de kant te drogen gelegd. Als het werk gedaan is en de grote machines weg zijn kun je tussen de modder van alles zien kruipen en spartelen. Snel in een jampotje met water doen en het dekseltje erop. Wanneer je beestjes geschept hebt zie je ze nog niet meteen zwemmen. Een schepnet zit vol alg, modder en waterplanten, en daar zitten ze tussen. Maak het net leeg in een witte bak met een laagje water. Neem liefst een grote, platte bak. Een oude afwasbak of grote plastic schaal is heel geschikt. Pas nu zie je alle beestjes duidelijk rondzwemmen. De meeste waterbeestjes kunnen niet lang in een jampot blijven zitten. Ze zijn na een paar dagen dood. In een aquarium kun ze wel lang in leven houden en goed bekijken, maar niet iedereen heeft op zolder een oud aquarium staan. Terug in de sloot is dus eigenlijk het beste voor de beestjes. Welke beestjes kun je vinden? Slakken Onder water leven veel verschillende soorten slakken. We hoeven je vast niet uit te leggen wat een slak is. Het is glibberig, heeft twee ogen op slappe steeltjes en draagt een caravan op z'n rug. Onze waterslakken hebben allemaal een huisje. Dat is een belangrijke bescherming tegen vijanden. De meeste waterdieren komen niet door dat huisje heen. Alleen grote karpers kunnen slakkenhuisjes kraken. Maar het huisje beschermt ook tegen droogte. Als de plas waarin de slakken leven opdroogt blijven ze door dat huisje nog een hele tijd lekker nat. Als het weer gaat regenen doen ze het ronde dekseltje pas weer open en kruipen verder alsof er niets aan de hand is. In de winter kunnen waterslakken rustig bevriezen. Als ze ontdooien zijn ze nog helemaal gezond. Probeer dat maar niet met je hamster. ![]() De posthoornslak lijkt op een opgerolde veterdrop, als hij op zijn zij ligt is hij helemaal plat. Deze slak heeft zijn naam gekregen omdat hij lijkt op de hoorn, een soort trompet, die de koetsier van een postkoets vroeger had. Het is een nuttig diertje dat alleen de resten van dode planten en algen eet. Hij komt niet aan levende planten. ![]() De poelslak heeft een huisje dat op een ijshoorntje lijkt, van onderen dik en rond, maar aan het eind met een puntje. Hij eet net als de posthoornslak plantenafval en algen, maar lust daarnaast ook nog wel visseneieren en insectenlarven. Een poelslak eet geen gezonde planten of dieren. Als je hem toevallig op een levende plant ziet zitten eet hij alleen de rottende delen weg. Insecten Alle insecten zijn eigenlijk landdieren. Volwassen insecten die we onder water vinden halen altijd boven water adem en duiken dan weer onder. Enkele insectenlarven kunnen wél onder water leven zonder lucht te happen. Zuurstof, dat is dat wij nodig hebben uit de lucht, zit ook water, maar om dat in te kunnen ademen heb je kieuwen nodig. De larven van sommige insecten hebben net als vissen een soort kieuwen gekregen. Kieuwen zijn eigenlijk gewoon waaiertjes waar veel bloedvaten doorheen lopen. Als er veel water langs stroomt komt de zuurstof in het bloed terecht, precies zoals in onze longen. Eendagsvliegen Als je een beestje in je schepnet vindt met lange draden aan zijn staart en twee rijen platte waaiertjes aan zijn achterlijf dan heb je een larf van de eendagsvlieg te pakken. Eendagsvliegen leven alleen in heel schoon, en liefst een beetje stromend water. Ze eten algen en waterplanten. De waaiertjes aan de zijkant van hun achterlijf zijn hun kieuwen. Daarmee wapperen ze voortdurend. Als de larve van de eendagsvlieg groot genoeg is kruipt ze uit haar laatste huid en heeft dan prachtige grote vleugels, maar geen mond meer. Daarom kan ze maar een paar dagen leven, nét genoeg om te paren en eitjes te leggen. Het is natuurlijk niet echt zo dat ze precies één dag leven, maar hun leventje is wél erg kort. ![]() Libellen Larven van libellen herken je aan de bek met twee scherpe kaken die naar voren kan klappen. Dat wordt ook wel het masker genoemd. De larven van waterjuffers zijn dun en hebben drie kleine staartvinnetjes aan hun achterlijf waarmee ze heel snel kunnen zwemmen. De larven van echte libellen, dat zijn de libellen die hun vleugels wijd uitstrekken als ze zitten, hebben geen staartvinnen. Ze zijn dik en langzaam en lopen meestal over de bodem of over waterplanten. Libellenlarven halen adem door water op te zuigen en door hun achterlijf weer naar buiten te persen. Hun kieuwen zitten namelijk in hun darmen. ![]() Elzenvliegen Larven van de elzenvlieg herken je aan 14 doorschijnende pootjes aan de zijkant van het achterlijf. Die pootjes staan meestal wijd uit. Met die extra poten (hij heeft ook nog 6 gewone poten) zwemt hij en haalt hij adem. In het modderwater waar hij leeft zit meestal niet veel zuurstof. De larve van de elzenvlieg is een felle rover. Je kunt aan zijn lange puntige kaken al zien dat hij daarmee andere diertjes doorboort en uitzuigt. Net als de eendagsvlieg kan ook een volwassen elzenvlieg niet eten. Ze leeft maar een paar dagen om eieren te leggen. Meer over elzenvliegen lees je hier. ![]() Waterkevers Andere insecten leven zelfs onder water als ze volwassen zijn. Ze moeten dan wél steeds even naar boven om lucht te happen. Zo zijn er veel soorten waterkevers die de lucht onder hun schilden bewaren als ze duiken. Waterkevers, zoals de geelgerande watertor, gaan met de punt van hun achterlijf steeds even een luchtje happen boven water. Ook hun larven doen dat. Die hebben een keurig kransje van haren rond hun poepertje waarmee ze aan het oppervlak van het water blijven hangen. Daardoor kunnen ze dus windjes laten en lucht happen tegelijk. Waterkevers zijn heel snelle zwemmers. De haren op hun poten zijn lang en stijf. Als ze zwemmen gaan de haren wijd uit staan en lijkt hun poot op een roeispaan. Hun lijf is ook nog eens zo glad als een duikboot. Waterwantsen Precies dezelfde roeispaanpoten zie je bij veel wantsen die onder water leven. Ook die hebben lange stijve haren aan de zijkant van hun poten. Wantsen zijn heel andere dieren dan kevers. Ze hebben geen kaken maar een zuigsnuit waarmee ze hun prooi uitzuigen. Hun vleugels zijn soms net zo hard als keverschildjes, maar ze liggen gekruist over hun rug heen en niet naast elkaar. Ook waterwantsen moeten een bel lucht meenemen onder water. Bekende waterwantsen zijn de waterschorpioen, de staafwants en het bootsmannetje. Zoek ze maar eens op met Google. Het bootsmannetje vind je bijna overal. Hij is eigenlijk de enige waterwants met een oranje rug. Onder water ziet zijn buik er zilver uit door de lucht die tussen de haartjes blijft zitten. Maar let op, hij zwemt altijd ondersteboven en zijn buik zit dus aan de bovenkant. Het bootsmannetje komt vaak uit het water en blijkt dan heel goed te kunnen vliegen. Het is dan net een dikke bij. Een paar waterwantsen hebben vettige voetjes en kunnen over het water lopen. Dat zijn de schaatsenrijders en de vijverloper. Schaatsenrijders vind je bijna overal. Het is inderdaad net of ze kunnen schaatsen. ![]() Kokerjuffers De larven van schietmotten hebben goed gekeken naar slakken. Ze hebben de kunst geleerd om zich in een kokertje te verstoppen. Zo nu en dan komen ze er met hun kop en pootjes uit om wat te eten. Op hun achterlijf hebben ze haakjes waarmee ze zich helemaal vast kunnen zetten. Je krijgt zo'n larf bijna niet uit het kokertje getrokken. Dat kokertje spinnen de kokerjuffers zelf met kleverige draadjes die uit hun bek komen, precies zoals een rups een cocon spint. Ze zoeken stukjes van dode plantenstengels of steentjes die ze aan het kokertje vastlijmen. Het hele kokertje gaat dan precies op de omgeving lijken en is bijna niet meer te zien, behalve wanneer het beweegt. Sommige soorten kokerjuffers maken zelfs kokers van kleine slakjes. Elke soort heeft zijn eigen mode, en je kunt het soort kokerjuffer vaak al herkennen aan de manier waarop het kokertje is gemaakt. Kokerjuffer eten planten, net als vlinderrupsen. Daarna verpoppen ze zich. Na een tijdje komt er uit de pop een soort vlinder tevoorschijn, dat is de schietmot. Schietmotten hebben geen roltong zoals vlinders en op hun vleugels zitten geen gekleurde schubjes maar haren. Als het donker begint te worden komen de schietmotten uit hun schuilplaatsen vandaan en vliegen dan vlak over het water heen en weer. Je herkent ze aan hun lange voelsprieten. Spinnen De meeste spinnen leven boven water. Ze hebben net als insecten lucht nodig. De waterspin heeft precies dezelfde oplossing gevonden om onder water adem te halen als kevers en waterwantsen: hij bewaart de lucht die hij boven water ophaalt tussen speciale haren op zijn achterlijf. Hij zit dus eigenlijk in een grote luchtbel en onder water lijkt zijn achterlijf helemaal van zilver gemaakt. Boven water is hij weer gewoon bruin. De waterspin maakt net als gewone spinnen een web, maar dan onder water. Hij vangt er geen insecten mee maar gebruikt het web als een zuurstoffles, net als een duiker. Lucht kan niet tussen de draden van zo’n onderwaterweb door. Het ziet er een beetje uit als een luchtballon, met een grote bel lucht die naar boven wil, maar in een netje gevangen zit. De waterspin kan goed zwemmen en hij vangt andere beestjes gewoon met zijn poten. Hij eet ze daarna in de luchtbel van zijn web rustig op, zonder gestoord te worden door lastige onderwaterbewoners. Roeipootkreeftjes In bijna elke sloot of plas van ons land zwemmen roeipootkreeftjes rond. Ze zijn familie van de echte kreeften en krabben, maar zijn kleiner dan een bladluis. Ze eten resten van dode planten en dieren, bacteriën en algen. Waterpissenbed en de vlokreeftjes zijn familie van de roeipootkreeftjes, maar zijn wat groter. De een lijkt op een gewone pissebed en de ander op een garnaal. Bij de eenoogjes (Cyclopsen) is nog goed te zien dat het kreeftjes zijn. Hun lijf bestaat uit harde plaatjes die als dakpannen over elkaar liggen en op de buik zie je vier rijen van vier pootjes en twee kleine grijppootjes onder de kop. De vrouwtjes dragen hun eieren in twee klompjes naast hun staart. Watervlooien lijken niet echt meer op kreeften. Ze hebben een rond lijfje met onderaan een punt en van boven een oog en twee grote borstelpoten. Bij elke zwiep die ze met die pootjes geven hoppen ze een stukje omhoog. Ze zijn doorzichtig en je kunt bij de vrouwtjes de eieren in hun buik zien zitten. Vissen Natuurlijk zijn er veel soorten vissen in onze sloten, plassen en vijvers. Voorntjes, karpers, brasems, snoeken, palingen, en nog veel meer. Ze zijn zo snel dat je ze niet makkelijk met een schepnet kunt vangen. Misschien nog wel als ze pas uit het ei zijn gekomen. Babyvisjes willen altijd bij elkaar zijn en zwemmen in “scholen” rond. Het is heel leuk om die scholen te zien zwemmen. De hele groep schiet telkens een andere kant uit, alsof het afgesproken is. Ze zitten in het ondiepe water langs de kant en je hoeft ze dus niet te vangen om ze te kunnen bekijken. ![]() Stekeltjes Misschien zul je wel eens een stekelbaarsje in je net krijgen. We hebben er twee soorten van: het tiendoornige stekelbaarsje en het driedoornige stekelbaarsje. Het verschil is makkelijk te zien als je een beetje kunt tellen: de een heeft op zijn rug een vin met tien stekeltjes, de andere soort heeft er maar drie. Ook zit er verschil in kleur. Het mannetje van het driedoornige stekelbaarsje krijgt in het voorjaar prachtige rode en blauwe kleuren, het mannetje van het tiendoornige stekelbaarsje wordt dan helemaal zwart. Stekeltjes bouwen een nest van dode takjes en blaadjes op de bodem. Ze verdedigen dat nestje tegen alle andere levende wezens in hun omgeving. ![]() Bloedzuigers Iets waar vissen verschrikkelijk last van kunnen hebben zijn bloedzuigers. Die zijn eigenlijk familie van de wormen, maar hebben vlijmscherpe tanden in hun kleine bekje waarmee ze door de huid van een ander dier kunnen bijten. Ze zuigen zich vol met bloed en laten dan weer los. Omdat ze geen poten hebben zit er aan het achterlijf van een bloedzuiger een soort zuignap. Daarmee houdt de bloedzuiger zich vast aan een blad of een steen en kan dan zijn lijf uitrekken zonder te vallen. Amfibieën Salamanders, kikkers en padden zijn familie van elkaar: Ze hebben net als wij gewoon een lijf met handen en voetjes, maar ze worden net als vissen niet vanzelf warm. Kikkers en padden ken je vast wel. Padden zijn die langzame beesten met korte achterpootjes en wratten op hun huid, kikkers hebben een glad vel en lange springpoten. ![]() Salamanders lijken wel wat op hagedissen maar zijn tóch heel andere dieren (kijk daarvoor nog eens op deze pagina). Hagedissen kunnen niet onder water ademen, salamanders wel. Amfibieën kunnen onder water gewoon zuurstof ademen door hun vel, ze hebben niet eens kieuwen nodig. Alle amfibieën eten vlees. Salamanders lusten bijvoorbeeld graag kikkervisjes. Met een schepnet dat gemaakt is van fijn gaas kun je in het voorjaar makkelijk kikkervisjes vangen. Kikkervisjes, die ook wel donderpadjes worden genoemd, worden later kikkers. De larfjes van salamanders en padden lijken ook erg op kikkervisjes. Ze komen allemaal uit het ei als een bolletje met oogjes, een mondje en een zwiepstaartje. Later groeien er pootjes aan en kunnen ze op het land kruipen. Bij kikkers en padden wordt de staart dan korter, maar bij salamanders niet. Salamanders hebben die staart hard nodig om te zwemmen en te laten zien hoe mooi ze zijn. Voor de echte Pietje Precies alle namen op een rij: Ringwormen (stam Annelida)
Weekdieren (stam Mollusca)
Geleedpotigen (stam Arthropoda)
Zespotigen (onderstam Hexapoda)
Schaardragers (onderstam Chelicerata)
Gewervelde dieren (stam Chordata)
|
klik hier voor een overzicht van alle FieClopedie-onderwerpen |