titel Fietje Waarom concept: PressArt
ontwerp: NaturalMedia
Weetjes uit de natuur
De Grote FieClopedie


Alles over het elzenbroekbos


tekst FieClopedie voorjaar 2006

niet een broek om aan te trekken
Het elzenbroekbos, waar de vader van Fietje zijn visplekje heeft, is een bijzonder soort bos. Het heeft ook een beetje rare naam. Is het een bos dat een broek aan heeft? Misschien heeft het woord wel brook te maken, het Engelse woord voor een beek. Vroeger was de broek een vochtige weide met mals gras langs een rivier of een beek. Dat waren weilanden op zachte kleigrond. Tegenwoordig denken we bij broekbossen meer aan moerassen. Elzenbroekbossen en berkenbroekbossen vinden we in gebieden met veengrond, en veen lijkt eigenlijk niet op klei.

grond zonder zand
Veen is zachte grond waar geen zand in zit. Je snapt misschien niet hoe dat kan, grond zonder zand. Veengrond is namelijk gemaakt van dood mos. Het begint met mos dat op de oever van een meertje groeit. De bodem van zo’n meertje is wél gewoon van zand. Alle mos dat in de winter doodgaat blijft gewoon liggen. Na honderden jaren wordt de laag dode mosjes steeds dikker en op het laatst kun je het zand op de bodem niet meer zien. Uiteindelijk zie je zelfs het water niet meer. Overal groeit dan mos, gras, en riet. De grond in een veenmoeras is erg zacht, je kunt er makkelijk in wegzakken. Soms breekt er een stuk veen van de oever af en drijft het als een eilandje door het water. Dan zie je dat het veen niet zwaar is. Er zit geen zand in.

brandende grond
Lang geleden ontdekten mensen dat veen goed brandt. Als je met een schep blokjes uit het veen steekt en die droogt krijg je turfjes, een soort harde bruine sponsjes waarmee je de kachel kunt stoken. Ongeveer 150 jaar geleden begonnen de grote steden in Nederland steeds sneller te groeien. Er was voor al die mensen brandstof nodig in de winter. Toen begon men de bossen te kappen en het veen weg te steken. Zo zijn plassengebieden als bij Vinkeveen ontstaan. Honderd jaar geleden waren bijna alle oude elzenbroekbossen verdwenen omdat daaronder het veen zat. Elzen groeien goed op veen. Gelukkig vinden boeren het te moeilijk om koeien te houden of groente te kweken op veen, dus kon het broekbos weer teruggroeien op de meeste plekken die toen kaal gemaakt werden. Alleen is er een verschil: op de kaart zie veel rechte slootjes. Die waren er een paar honderd jaar geleden nog niet. De slootjes waren de plekken waar het veen werd weggehaald, de strookjes land daartussen bleven staan om het veen met de kar weg te kunnen brengen. Daar groeit nu het broekbos op

zuur water
Waarom blijft het dode mos in het veen eigenlijk zo lang liggen? In gewone bossen zijn de dode blaadjes die in de herfst vallen de volgende zomer helemaal weg. Insecten, wormen, bacteriën en schimmels eten de dode bladeren op. In het veen liggen de dode plantjes meestal onder water en kunnen al die beestjes er niet bijkomen. Maar dood mos maakt het water ook zo zuur dat de oude blaadjes en takjes niet kunnen beschimmelen of verrotten, zelfs niet als ze boven het water uitkomen. Ze blijven duizenden jaren goed, als er maar van dat zure water in kan trekken.


moeilijk picknicken
Als de veenlaag dik genoeg is kunnen er bomen als de grauwe wilg, zwarte els, zachte berk en de ratelpopulier op groeien. Het wordt dan een broekbos. In de winter, als er geen blaadjes aan de bomen zitten, herken je het elzenbroekbos meteen: het is een dicht, donker bos met lage boompjes. Je kunt er moeilijk doorheen lopen, want de bomen groeien zo dicht op elkaar dat je bijna niet tussen de takken door kunt dringen. Bovendien is de grond op veel plaatsen te zacht om te lopen. Je struikelt over de dikke graspollen of zakt weg in de modderige zwarte grond. Als je er met een stok in de modder prikt komen er grote luchtbellen naar boven die naar rotte eieren stinken. Geen plekje om lekker te picknicken dus. In de zomer groeien er ook nog eens veel brandnetels.

lekker zuur
Op veengrond kunnen niet veel planten en bomen groeien, dat komt ook door het zuur. Veel mossen vinden zuur water niet erg: je vindt er veenmos, dikkopmos, laddermos en klauwtjesmos.
Riet, dat langs het water groeit kan ook goed tegen zuur. Moeraszegge, een soort gras met scherpe randjes langs de stengels, vindt het er heerlijk en groeit in grote pollen langs het water. Het pijpenstrootje is gras dat je in moerassen ook vindt. Het groeit in hele dichte en harde pollen. Uit elke pol groeien in de zomer lange stengels waaraan pluimpjes met zaad komen. Die stengeltjes gebruikten de vissers en de veenboeren vroeger om hun stenen pijpjes schoon te maken. Vandaar de naam pijpenstrootje.
Verder zie je in het veen veel varens. Die hebben niet veel licht nodig en kunnen zelfs in het dichte elzenbroekbos nog onder de donkerste bomen groeien. Als het er maar lekker nat is. Naast het bos vinden we vaak grote en dichte braamstruiken. De bramen van het elzenbroekbos zijn heerlijk, maar je komt er moeilijk bij. Onder je is water en modder en om je heen zijn takken, stekels en stekende insecten.


ander moois aan de waterkant
Langs de oevers van het Elzenbroekbos vind je veel schermbloemen zoals de berenklauw en de engelwortel. Schermbloemen zijn planten met bovenaan een soort parasolletje van witte bloempjes. Veel vliegen- en wespensoorten zijn dol op schermbloemen. Je kunt ze er heel makkelijk op bekijken. Ook vind je aan de waterkant van het elzenbroekbos soms de gagel. Dat is een heel dicht en rond struikje met grijsgroene blaadjes. Als je haar blaadjes dubbelvouwt ruik je een heerlijke frisse harsgeur. In het voorjaar zien we met een beetje geluk de dotterbloem langs het water staan. Je herkent haar meteen door de grote gele bloemen en de ronde bladeren die een beetje op hartjes lijken. In de zomer zie je de prachtige koekoeksbloem in het veenmoeras staan. Hun roze bloemblaadjes zijn zo dun als draadjes.

een echte moerasboom
De zwarte els is helemaal aangepast aan het water. Ze groeit het best op vochtige plekken, dus aan de waterkant of op hele natte grond. Ze vindt het zelfs niet erg als haar wortels echt in het water staan. De wortels van veel andere bomen gaan dood als ze onder water komen te staan.

In moerassen kunnen bijen moeilijk nesten maken (bekijk Fietje en de bijen), dus maar goed dat de zwarte els bloemen heeft die ook zonder bijen vruchtjes krijgen. De bloemen van de meeste planten hebben een lekkere geur, vrolijk gekleurde blaadjes en honing. Bijen zien de mooie kleuren en komen op de bloemengeur af. Ze zorgen ervoor dat stuifmeel van de ene naar de ander bloem komt. Dat stuifmeel is nodig om vruchtjes te krijgen. Bij elzen en wilgen wordt het stuifmeel gewoon door de wind naar de goede plek gebracht. Dat gebeurt al meteen aan het eind van de winter, lang voordat er blaadjes aan de bomen zitten, zodat de wind overal goed bij kan komen.
elzenkatjes

katjes om zonder handschoenen aan te pakken
Vroeg in het voorjaar zie je aan de zwarte els twee soorten katjes: de lange, hangende mannetjeskatjes en korte vrouwtjeskatjes. In februari of maart zie je de bruine hangende sliertjes van de mannetjeskatjes plotseling langer worden en van kleur veranderen. Eerst zijn ze lichtbruin, en als ze langer worden verschijnt tussen de schubjes een helder rood. Als ze nog langer worden kleurt het stuifmeel tussen de bruine schubjes eerst oranje en uiteindelijk geel. De vrouwelijke katjes zijn korte roze-rode pluimpjes die niet veel veranderen.

sijsjes met elzenproppen

eten uit proppen
Korreltjes stuifmeel die op een vrouwtjeskatje zijn geblazen groeien naar binnen en worden daar zaadjes. In de zomer hangen de vruchtjes als groene geschubde bolletjes aan de takken. In de herfst worden die bolletjes bruin en komen de zaadjes tussen de schubjes vandaan. We noemen de oude donkerbruine vruchtjes elzenproppen.
In de herfst vallen de eerste zaden al uit de proppen, maar beetje voor beetje gaat het de hele winter door. Als groepjes sijsjes of putters in het vroege voorjaar de laatste zaadjes uit de elzenproppen eten is het meeste al gevallen.


verse elzenproppen

dobberzaad
De zaden van de zwarte els zijn eigenlijk niet gemaakt voor de vogels, maar om in het water te vallen. De kleine, gladde zaadjes hebben korte vleugeltjes. Daarmee kunnen ze niet erg ver worden meegenomen door de wind, maar net ver genoeg om in het water terecht te komen. Van binnen zit een speciaal luchtbelletje waarmee ze blijven drijven. De zaden drijven naar een andere plek aan de oever en als ze in de juiste grond terechtkomen groeien ze uit tot nieuwe bomen.

oude elzenproppen en zaadje

nichtje van zwarte els
Zwarte elzen willen overal wel groeien waar het nat is. Op zand of klei en in het veen. Je ziet ze veel in parken, waar mensen ze hebben geplant. Maar er is nog een andere soort elzenboom: de grauwe els, die ook wel witte els wordt genoemd. Je ziet het verschil in de zomer het best: de zwarte els heeft ronde blaadjes en de bladeren van grauwe els hebben een puntje. In de winter zie je dat de zwarte els een donkere groen-bruine stam heeft met veel scheuren en brokjes. De grauwe els heeft een gladde, lichtgrijze stam.

zwemmers en acrobaten
Er leven veel dieren in het elzenbroekbos. Aan de waterkant hoor je op een mooie, rustige dag overal kikkergekwaak. Er kunnen heidekikkers, groene kikkers en bruine kikkers voorkomen maar ook padden en salamanders. Ringslangen zijn goede zwemmers en als je met een bootje door een moerasgebied vaart zie je ze met een beetje geluk dan ook parmantig door het water waggelen met alleen het kopje er bovenuit.

Op het land leven verschillende soorten muizen en spitsmuizen. Zelfs mollen vinden het niet erg om door de natte veengrond te graven. Op de veenweiden tussen de broekbossen kunnen konijnen en hazen leven, en als die er zijn is de vos er natuurlijk ook. Grote edelherten zouden in de modder wegzakken, maar reeën zijn licht en weten handig over de graspollen te lopen. Kijk ook nog eens naar Fietje en de herten. Honderden jaren geleden konden we in onze moerassen zelfs elanden zien, dat zijn herten zo groot als een paard, met brede hoeven waarmee ze niet makkelijk wegzakken.

We hebben al gezien dat sijsjes en putters graag elzenproppen uitpulken als er bijna geen ander voedsel meer is. In het elzenbroekbos kan een houthakker niet makkelijk de dode bomen weghalen, dus we vinden er ook veel vleermuizen. Als je niet weet waarom moet je het nog eens kijken naar het vleermuizenverhaal van Fietje.

vervelende stekers
Insecten zijn er in het elzenbroekbos eigenlijk het meest. Hele vervelende beesten zijn de steekmuggen. Die ken je vast wel, maar je kunt er ook gestoken worden door dazen. Goudoogdazen lijken met hun prachtige gouden ogen en zwarte vlekken op de vleugels een beetje op een speelgoedvliegtuigje, maar laat ze niet te lang op je arm zitten. De regendaas is helemaal grijs met een soort regen van witte vlekjes op zijn vleugels. Die vleugels zijn als een tentdakje om zijn achterlijf gevouwen. Het lijkt helemaal geen vlieg. Ze steken net zo erg als de goudoogdaas.

nep-libellen zonder mond
Libellen en elzenvliegen zijn voor ons veel minder lastig. In het water bij elzenbroekbossen leven de larven van veel soorten libellen en waterjuffers. Het zijn rovertjes, net als hun vaders en moeders. De larven eten waterinsecten en als ze uit het water zijn gekomen en vleugels hebben jagen ze op vliegende insecten. Kijk maar in het verhaal van Fietje en de libellen.

larve van de elzenvlieg

De larve van de elzenvlieg leeft ook onder water en is ook een rover. Je kunt aan zijn lange kaken al zien dat hij daarmee andere diertjes doorboort en uitzuigt. Elzenvlieglarven lijken wel op duizendpoten. Ze hebben veel meer poten dan nodig om mee te lopen. Ze gebruiken de poten van hun achterlijf dan ook als kieuwen, om adem mee te halen onder water. In de modder van moerassen is vaak erg weinig zuurstof, de stof die wij uit de lucht kunnen halen door te ademen.

elzenvlieg mannetje en vrouwtje

Gek genoeg kan een grote elzenvlieg niet eten. Haar mond is te zwak om te kunnen eten, maar dat is ook niet nodig. Ze leeft maar een paar dagen en heeft als larf genoeg gegeten om rond te kunnen vliegen en eieren te leggen. Dat doet ze gewoon tegen de zijkant van een rietstengel aan, zonder bescherming. Elzenvliegen lijken een beetje op libellen, maar ze vliegen al vroeg in het voorjaar als er nog geen libellen zijn. Kijk ook eens goed naar de vleugels. Die hebben heel dikke aders, heel anders dan van libellen. Eigenlijk zijn elzenvliegen familie van de gaasvliegen, die groene beestjes met kleine gouden knopjes als ogen die in de winter in de schuur zitten te wachten tot het zomer wordt.

geknapt ballonnetje
Een heel belangrijk insect van het elzenbroekbos is het elzenhaantje, een prachtig zwart, blauwglanzend kevertje dat leeft op de blaadjes van de zwarte els. In het voorjaar zie je de mannetjes en de vrouwtjes “paardjerijden”. Kort daarna worden de vrouwtjes steeds dikker en puilt hun achterlijf uit van de eieren. Hun schilden zijn helemaal omhooggeduwd en daaronder zie je hun gele achterlijf. Ze staan eigenlijk een beetje in hun hemd en het lijkt wel wat op een stukgesprongen ballon.

elzenhaantje

De gele eieren worden aan de onderkant van de bladeren gelegd in groepjes. De larfjes worden al snel zwart en hebben een soort stekeltjes op hun rug, net als de rupsen van het landkaartje (kijk op Fietje en de voorjaarsvlinders). De larven van het elzenhaantje eten de hele zomer van de bladeren. Ze lusten alleen het zachte blad. De nerven (de harde lijntjes in het blad) laten ze staan en als ze klaar zijn met eten lijkt zo’n elzenblad wel een beetje op een kanten poppenkraagje.

De larven van het elzenhaantje lijken soms ook een beetje stuk. Als ze zich niet veilig voelen komen er druppeltjes geel sap uit hun achterlijf. Vogels vinden dat echt smerig smaken, dus zijn de larfjes niet bang om opgegeten te worden. As je in de zomer een dikke hoekige larf op een elzenblad ziet zitten die niet meer beweegt, dan is het een pop geworden. Na een paar weken komt uit de pop weer een nieuwe kever. 


wetenschappelijke namen:
Deze keer maar heel weinig latijn. De familie van de elzen is niet zo groot. Alle beukachtige bomen hebben katjes.

Beukachtigen (orde Fagales)
Berkachtigen (familie Betulaceae)
Ruwe berk - Betula pendula Roth
Zachte berk - Betula pubescens Ehrh.
Zwarte els - Alnus glutinosa (L.) Gaertner
Grauwe els - Alnus incana (L.) Moench

Kevers (orde Coleoptera)

Bladhaantjes (familie Chrysomelidae)
Elzenhaantje - Agelastica alni (Linnaeus 1758)

Netvleugelige insecten:
Gaasvliegen en mierenleeuwen (orde Neuroptera)
Kameelhalsvliegen (orde Raphidioptera)

Slijkvliegen (orde Megaloptera)

Elzenvliegen (familie Sialidae)
Elzenvlieg - Sialis lutaria (Linnaeus 1758)



Voor wie nóg meer wil weten zijn hier wat links naar andere sites:

Zwarte els:
bomengids, elsfamilie
bomengids, Zwarte_els
weetjes over elzenhout
oude verhalen over elzen
verschillen tussen de zwarte en de grauwe els
[pagina opgeheven]
Natuurinformatie: met foto van elzenkatjes
[pagina opgeheven]

Bladhaantjes:
foto's van bladhaantjes
[pagina opgeheven]
nog meer keverfoto's. Ook het schildpadtorretje is een bladhaantje

Elzenvliegen:
elzenvliegen in België
elzenvliegen in Nederland
[pagina opgeheven]

sijsjes:
sijsjes in de eigen tuin
zoekheteensop: sijsjes
informatie over sijsjes met o.a. het geluid

terug naar de vorige pagina

klik hier voor een overzicht van alle FieClopedie-onderwerpen