titel Fietje Waarom concept: PressArt
ontwerp: Studio de Rond
Weetjes uit de natuur
De Grote FieClopedie


Alles over dagvlinders

Verschillend als dag en nacht

Dagvlinders zijn de vlinders die we overdag lekker in de zon zien fladderen. Ze zijn bijna allemaal mooi gekleurd en je vindt ze makkelijk als ze op bloemen zitten. Soms willen dagvlinders even niet gezien worden. Dan klappen ze hun vleugels omhoog zodat de mooie bovenkant niet meer te zien is. Aan de onderkant zijn de meest vlindervleugels bruinig of grijzig met vlekjes. Als ze met opgeklapte vleugels tegen een boom zitten kun je ze bijna niet meer zien. Ook de vogels die vlindertjes lusten kunnen ze dan moeilijk vinden.

Nachtvlinders zijn heel anders dan dagvlinders. Ze worden ook wel motten genoemd, maar lang niet alle nachtvlinders eten kleren, dat zijn er maar een paar. Bekende nachtvlinders zijn uiltjes (meestal bruin en erg harig), spanners (hun rupsen doen aan gymnastiek: buigen, uitstrekken, buigen, uitstrekken) en pijlstaarten (hele grote vlinders met rupsen die een stekel op hun staart hebben).

Nachtvlinders gaan pas vliegen als het donker wordt. Overdag zitten ze meestal dicht tegen een boomstam aangeplakt met hun vleugels als een dakje over zich heen. Hun voorvleugels zijn daarom meestal niet helder gekleurd aan de bovenkant, dat zou veel te veel opvallen. Als ze gaan vliegen laten nachtvlinders vaak wél hele kleurige achtervleugels zien.

Dikkopjes zijn eigenlijk een soort nachtvlindertjes maar ze vliegen het liefst overdag. Je kunt zien dat het geen echte dagvlinders zijn doordat ze hun vleugels niet netjes plat leggen als ze gaan zitten (zie plaatje op de zoekkaart).


Versierde eitjes

Het leven van een vlinder begint als eitje. Een vrouwtjesvlinder plakt de eitjes meestal ergens op vast. Veel vlinders kiezen daarvoor de onderkant van een blad uit. Dat is lekker droog, moeilijk te zien en vaak ook moeilijk om bij te komen. Dat komt doordat de stekels en haren daar veel langer zijn dan boven op het blad. Andere vlinders kiezen een takje of een bloem uit om de eitjes op te leggen.

De eitjes van elke vlindersoort hebben weer een andere kleur en vorm. Eitjes van witjes en het oranjetipje zijn glad en puntig, de eitjes van blauwtjes zijn rond met een deukje en zitten vol kleine puntjes. De eieren van de Dagpauwoog en de Distelvlinder zien er wat meer uit als een kippenei, maar dan met lange ribbels er langs. Je moet wél een vergrootglas meenemen om dat goed te kunnen zien.

Ook de manier waarop vlinders hun eieren leggen kan erg verschillend zijn. Sommige vlinders leggen elk ei op een andere plek, andere vlinders leggen ze in groepjes bij elkaar. Veel vlinders leggen hun eieren in nette rijtjes of in een keurig blokje van rijtjes naast elkaar. Het Landkaartje is een hele rare: het vrouwtje plakt de eitjes in sliertjes onder elkaar. Aan de onderkant van een brandnetelblad hangen die eiersliertjes dan bij elkaar als een soort baardje.

Foprupsen

Als het eitje openbreekt komt er een piepklein rupsje uit. Om te kunnen groeien moeten rupsen blaadjes eten, de hele dag lang. Ze hebben scherpe tandjes maar hele kleine ogen en kunnen slecht zien. Rupsen lusten meestal alleen maar bladeren van één soort plant of boom. Als je een rups meeneemt naar huis (beter niet doen) moet je goed onthouden op welke plant je hem gevonden hebt, en precies dezelfde blaadjes geven.

De eitjes van vlinders zitten goed verstopt en bewegen niet, maar de rupsjes die daar uitkomen moet allerlei dingen doen om niet opgegeten te worden. Ze kunnen dan worden gezien door vogels of door wespen die eitjes in ze willen steken. Rupsen die naar de feestartikelenwinkel gaan kunnen allerlei trucjes vinden om de vijand voor de gek te houden. Er zijn rupsen die smerig smaken, en dat laten ze zien ook. De rups van de Jacobsvlinder (nachtvlinder) is net als een wesp geel en zwart gestreept, en doet geen enkele moeite om zich te verstoppen. Hij weet dat geen enkele vogel hem durft te eten omdat hij nog smeriger smaakt dan het gele spul uit je oren.


Veel rupsen verkleden zich in dezelfde kleur als het blaadje waar ze van eten. De rupsen die op brandnetels leven hebben vaak nepstekels over hun hele lijf, liefst nog met haren die op de prikharen van de brandnetel lijken. Er zijn natuurlijk ook rupsen met haren waarvan je écht jeuk krijgt, zoals de processierupsen die in lange optochten achter elkaar aan kruipen. Rupsen van spanners (nachtvlinders) kunnen op hun achterpootjes staan en zich uitstrekken alsof ze een takje zijn.

De rupsen van veel soorten dagvlinders en nachtvlinders maken een soort tent om zich heen van hele sterke dunne draadjes, net als een spinnenweb. Ze kunnen bijna een hele struik inpakken waardoor je niet meer goed ziet waar ze zitten. Die ingepakte takken zijn makkelijk te vinden, maar tóch worden de rupsen er niet snel uitgehaald door vogels.

De mooiste bescherming hebben de rupsen van een paar blauwtjes gevonden: ze leven in mierennesten, waar ze met rust gelaten worden in ruil voor zoete druppeltjes die ze aan de mieren voeren. Dat is wel een beetje vreemd: deze vlinderrupsen eten mierenlarfjes. Als de mieren dat zouden begrijpen werden ze beslist heel boos.

Saai popje

Als een rups groeit wordt zijn harde velletje al snel te krap. Hij laat het dan gewoon openbarsten en kruipt er uit. Met zijn nieuwe vel kan hij weer een stuk groter worden. Zo kan een rups wel zeker vijf keer vervellen voordat de tijd is gekomen om vlinder te worden. Als het laatste velletje uitgaat komt er geen nieuwe rupsenhuid onder het oude vel vandaan, maar een vreemd hard vormpje zonder kop of poten. Dat noemen we de pop. Je kunt al zien waar de vleugels van de vlinder komen te zitten, maar verder lijkt het nog niet veel. Een pop moet ook juist nergens op lijken, alleen op de tak waar hij aan hangt. Dus ook die pop speelt verstoppertje. Saaie pop hoor...

Veel rupsen spinnen eerst een cocon om zich heen voordat ze pop worden. Een cocon is eigenlijk een soort ronde slaapzak van zijdedraadjes, zonder opening om door naar buiten te kijken. Binnen in de cocon verpopt de rups pas. Andere vlinders, zoals die van het Oranjetipje, binden zichzelf met een paar draadjes om een takje vast, zodat ze niet teveel gaan slingeren in de wind.

Als pop kan een vlinder het erg lang uithouden zonder eten. Veel vlinders leven dus als pop in de winter. Het maakt helemaal niet uit of de pop bevriest, daar kan hij goed tegen. Als het voorjaar wordt komt uit de pop dan een echte vlinder. Die ziet er de eerste uren nog wel wat lelijk uit met verfrommelde vleugels. De jonge vlinder hoeft nu alleen nog te drogen en zijn vleugels op te pompen. Na een paar uurtjes vliegt hij vrolijk rond.

Vlinders zijn anders dan je dacht

De echte vlinders komen pas uit de pop als er genoeg bloemen bloeien waar ze van kunnen drinken. Nu groeien ze niet meer en kunnen ook niet meer vervellen. Als rups aten ze blaadjes, maar als vlinder hebben ze geen tanden meer. Ze drinken alleen maar nectar, de zoetigheid die in bloemen zit en waar bijen honing van maken. Om nectar onder uit diepe bloemen te kunnen zuigen hebben vlinders een lange tong. Die tong kunnen ze oprollen en onder hun kop verbergen. Ook eigenlijk een beetje feestbeesten, die vlinders, met een tong als een carnavalstoeter.

Met de voelsprieten op hun kop kunnen ze niet alleen voelen, maar ook erg goed ruiken. Mannetjes kunnen er vrouwtjes mee ruiken als ze zin in wat gezelligheid hebben. Sommige nachtvlinders hebben supervoelsprieten die op een veer lijken. Die zijn zó gevoelig dat ze er zelfs kilometers ver mee kunnen ruiken.

Een vlinder heeft zes poten en vier vleugels. Veel kinderen tekenen een vlinder als een soort rups waar de vleugels van voor tot achter tegenaan zitten geplakt. In werkelijkheid is het vlinderlijf verdeeld in drie stukjes: de kop, het borststuk en het achterlijf. Het borststuk is hard en daar zitten alle poten en vleugels aan vast. Binnen in het borststuk zitten enorm sterke spieren die de vleugels op en neer kunnen bewegen.

Op de vleugels van een vlinder zitten schubjes, net als bij een vis, maar dan zó klein dat je ze alleen kunt zien onder een microscoop. Nadat je een vlinder hebt vastgepakt blijven de schubjes als fijn stof op je vingers zitten. In die schubjes zitten de mooie heldere kleuren. Eigenlijk is het meer een gekleurde glans dan echte kleur. Leg maar eens een dode vlinder in een bakje water met een beetje afwasmiddel. Je zult zien dat alle kleur verdwijnt en dat de vleugels er bruinig uit gaan zien.

Peuter wordt oma

De meeste vlinders leven niet erg lang. In de zomer kunnen ze een maand leven, misschien ook wel twee, maar hun vleugels slijten van al dat vliegen. Op het laatst is een vlinder helemaal rafelig en zitten er scheuren in zijn vleugels. Veel vlinders worden niet eens zo oud. Voor ze kunnen verslijten worden ze al opgegeten.

In de zomer kun je vlinders vinden die er ook al in het voorjaar waren. Dat zijn niet dezelfde vlinders. Het Landkaartje is in maart en april een oranjerood vlindertje met zwarte vlekken en wat witte lijntjes. In juni en juli zien we ook weer Landkaartjes, maar dan zijn ze zwart met een brede witte band en soms wat rode lijntjes. Dat zijn de kinderen van de oranje vlinders in het voorjaar. Ze zijn geboren uit de eitjes die de moedervlinders in het voorjaar op brandnetels hebben gelegd. De rupsjes doen heel erg hun best om vóór de zomer nog te kunnen verpoppen en in de zomer een vlinder te kunnen worden. Soms vind je zelfs nog Landkaartjes in augustus. Dat zijn dan de kleinkinderen van de Landkaartjes in het voorjaar. Een vlinder van nog maar één jaar oud kan dus al oma worden.

Winter

In de winter is er voor een vlinder weinig te eten. Er bloeien geen bloemen en er zijn geen bladeren aan de boom. De meeste vlinders overwinteren daarom als pop. Een paar dagvlinders blijven op een warm plekje wachten tot de ergste kou voorbij is. Je kunt bijvoorbeeld op de eerste mooie dagen in het voorjaar al citroenvlinders en dagpauwogen zien rondvliegen. Die vlinders kunnen nectar drinken van de vroegste bloemen in de lente.

Er zijn ook een paar vlindersoorten die aan het einde van de zomer naar warme landen vliegen. Het lijkt een wonder hoe ze de weg weten te vinden; vlinders zijn lang niet zo slim als trekvogels. Trekvlinders vliegen langs de kust naar de zon toe, en komen zo vanzelf in Frankrijk, Spanje of Afrika. De bekendste soorten die dat doen zijn de distelvlinder en de atalanta. Daar, in het warme zuiden, worden eitjes gelegd en rupsjes geboren. De nieuwe vlinders komen dan in de zomer van het volgende jaar weer naar ons toe, terwijl ze dat kunstje niet van hun vader of moeder geleerd kunnen hebben.



Alle vlinders van Nederland

Voor Fietje Precies zijn hier de namen van alle dagvlinders die in ons land kunnen voorkomen met de Latijnse namen (in schuine letters)


A = algemeen
Z = vrij zeldzaam
ZZ = zeldzaam
ZZZ = zeer zeldzaam
D = Dwaalgast (zelden in Nederland gezien)
V = verdwenen


Monarchvlinders - Danaidae
Monarchvlinder - Danaus plexippus (Linnaeus, 1758) D

Dikkopjes - Hesperiidae
Aambeeld-spikkeldikkopje - Pyrgus onopordi (Rambur, 1839) D
Aardbeivlinder - Pyrgus malvae (Linnaeus, 1758) ZZ
Bont dikkopje - Carterocephalus palaemon (Pallas, 1771) ZZ
Bretons spikkeldikkopje - Pyrgus armoricanus (Oberthür, 1910) D
Bruin dikkopje - Erynnis tages (Linnaeus, 1758) ZZ
Driedisteldikkopje - Pyrgus carlinae (Rambur, 1839)
Dwergdikkopje - Thymelicus acteon (Rottemburg, 1775) V
Geelsprietdikkopje - Thymelicus sylvestris (Poda, 1761) A
Groot dikkopje - Ochlodes faunus - (Bremer & Grey, 1853) A
Groot spikkeldikkopje - Pyrgus alveus (Hübner, 1803) D
Kaasjeskruiddikkopje - Carcharodus alceae (Esper, 1780)
Kalkgraslanddikkopje - Spialia sertorius (Hoffmannsegg, 1804) V
Kommavlinder - Hesperia comma (Linnaeus, 1758) Z
Rood spikkeldikkopje - Pyrgus cirsii (Rambur, 1839) D
Spiegeldikkopje - Heteropterus morpheus (Pallas, 1771) ZZ
Witgezoomd spikkeldikkopje - Pyrgus carthami (Hübner, 1813) D
Zwartsprietdikkopje - Thymelicus lineola (Ochsenheimer, 1808) A

Blauwtjes - Lycaenidae
Bleek blauwtje - Polyommatus coridon (Poda, 1761)
Boomblauwtje - Celastrina argiolus (Linnaeus, 1758) A
Bruin blauwtje - Plebeius agestis (Denis & Schiffermüller, 1775) Z
Bruine eikenpage - Satyrium ilicis (Esper, 1779) Z
Bruine vuurvlinder - Lycaena tityrus (Poda, 1761) Z
Donker pimpernelblauwtje - Maculinea nausithous (Bergsträsser, 1779) V
Duingentiaanblauwtje - Maculinea alcon arenaria (Lempke, 1956)
Dwergblauwtje - Cupido minimus (Fuessly, 1775) V
Eikenpage - Neozephyrus quercus (Linnaeus, 1758) A
Gentiaanblauwtje - Maculinea alcon (Denis & Schiffermüller, 1775)
Groentje - Callophrys rubi (Linnaeus, 1758) A
Grote vuurvlinder - Lycaena dispar (Haworth, 1802) ZZZ
Heideblauwtje - Plebeius argus (Linnaeus, 1758) Z
Heidegentiaanblauwtje - Maculinea alcon ericae (Lempke, 1956) Z
Icarusblauwtje - Polyommatus icarus (Rottemburg, 1775) A
Iepenpage - Satyrium w-album (Knoch, 1782) ZZZ
Klaverblauwtje - Polyommatus semiargus (Rottemburg, 1775) V
Kleine vuurvlinder - Lycaena phlaeas (Linnaeus, 1761) A
Morgenrood - Lycaena virgaureae (Linnaeus, 1758) D
Pimpernelblauwtje - Maculinea teleius (Bergsträsser, 1779) V
Pruimenpage - Satyrium pruni (Linnaeus, 1758) D
Rode vuurvlinder - Lycaena hippothoe (Linnaeus, 1761) V
Sleedoornpage - Thecla betulae (Linnaeus, 1758) ZZ
Staartblauwtje - Cupido argiades (Pallas, 1771) D
Tijgerblauwtje - Lampides boeticus (Linnaeus, 1767) D
Tijmblauwtje - Maculinea arion (Linnaeus, 1758) V
Vals heideblauwtje - Plebeius idas (Linnaeus, 1761) V
Veenbesblauwtje - Plebeius optilete (Knoch, 1781) ZZZ

Sleutelbloemvlinders - Nemeobiidae
Sleutelbloemvlinder - Hamearis lucina (Linnaeus, 1758) D

Schoenlappers - Nymphalidae
Atalanta - Vanessa atalanta (Linnaeus, 1758)
Blauwe ijsvogelvlinder - Limenitis reducta Staudinger, 1901 D
Bosparelmoervlinder - Melitaea athalia (Rottemburg, 1775) ZZ
Bosrandparelmoervlinder - Argynnis adippe (Denis & Schiffermüller, 1775)
Dagpauwoog - Inachis io (Linnaeus, 1758) A
Distelvlinder - Vanessa cardui (Linnaeus, 1758)
Duinparelmoervlinder - Argynnis niobe (Linnaeus, 1758) ZZ
Gehakkelde aurelia - Polygonia c-album (Linnaeus, 1758) A
Grote ijsvogelvlinder - Limenitis populi (Linnaeus, 1758) ZZZ
Grote parelmoervlinder - Argynnis aglaja (Linnaeus, 1758) ZZ
Grote vos - Nymphalis polychloros (Linnaeus, 1758) ZZ
Grote weerschijnvlinder - Apatura iris (Linnaeus, 1758) ZZ
Keizersmantel - Argynnis paphia (Linnaeus, 1758) V
Kleine ijsvogelvlinder - Limenitis camilla (Linnaeus, 1764) ZZ
Kleine parelmoervlinder - Issoria lathonia (Linnaeus, 1758) Z
Kleine vos - Aglais urticae (Linnaeus, 1758) A
Kleine weerschijnvlinder - Apatura ilia (Denis & Schiffermüller, 1775)
Landkaartje - Araschnia levana (Linnaeus, 1758) A
Moerasparelmoervlinder - Euphydryas aurinia (Rottemburg, 1775) V
Paarse parelmoervlinder - Boloria dia (Linnaeus, 1767)
Purperstreepparelmoervlinder - Brenthis ino (Rottemburg, 1775) V
Rouwmantel - Nymphalis antiopa (Linnaeus, 1758) V
Steppeparelmoervlinder - Melitaea aurelia Nickerl, 1850 D
Tweekleurige parelmoervlinder - Melitaea didyma (Esper, 1778) D
Veenbesparelmoervlinder - Boloria aquilonaris (Stichel, 1908) ZZZ
Veldparelmoervlinder - Melitaea cinxia (Linnaeus, 1758) ZZZ
Woudparelmoervlinder  - Melitaea diamina (Lang, 1789) V
Zilveren maan - Boloria selene (Denis & Schiffermüller, 1775) ZZ
Zilvervlek - Boloria euphrosyne (Linnaeus, 1758) V

Pages - Papilionidae
Apollovlinder - Parnassius apollo (Linnaeus, 1758) D
Koninginnenpage - Papilio machaon Linnaeus, 1758 A
Koningspage - Iphiclides podalirius (Linnaeus, 1758)

Witjes - Pieridae
Boswitje - Leptidea sinapis (Linnaeus, 1758)
Citroenvlinder - Gonepteryx rhamni (Linnaeus, 1758) A
Gele luzernevlinder - Colias hyale (Linnaeus, 1758)
Groot geaderd witje - Aporia crataegi (Linnaeus, 1758) V
Groot koolwitje - Pieris brassicae (Linnaeus, 1758) A
Klein geaderd witje - Pieris napi (Linnaeus, 1758) A
Klein koolwitje - Pieris rapae (Linnaeus, 1758) A
Oranje luzernevlinder - Colias croceus (Fourcroy, 1785)
Oranjetipje - Anthocharis cardamines (Linnaeus, 1758) A
Resedawitje - Pontia daplidice (Linnaeus, 1758)
Steppeluzernevlinder - Colias chrysotheme (Esper, 1781) D
Veengeeltje - Colias palaeno (Linnaeus, 1761) D
Zuidelijke luzernevlinder - Colias alfacariensis Ribbe, 1905 D

Zandoogjes - Satyridae
Argusvlinder - Lasiommata megera (Linnaeus, 1767) A
Bont zandoogje - Pararge aegeria (Linnaeus, 1758)
Boserebia - Erebia ligea (Linnaeus, 1758) D
Boszandoog - Lopinga achine (Scopoli, 1763) A
Bruin zandoogje - Maniola jurtina (Linnaeus, 1758) A
Dambordje - Melanargia galathea (Linnaeus, 1758) A
Grote boswachter - Hipparchia fagi (Scopoli, 1763)
Heivlinder - Hipparchia semele (Linnaeus, 1758) A
Hooibeestje - Coenonympha pamphilus (Linnaeus, 1758) A
Kleine heivlinder - Hipparchia statilinus (Hufnagel, 1766) ZZ
Koevinkje - Aphantopus hyperantus (Linnaeus, 1758) A
Oranje steppevlinder - Arethusana arethusa (Denis & Schiffermüller, 1775) D
Oranje zandoogje - Pyronia tithonus (Linnaeus, 1767) A
Rotsvlinder - Lasiommata maera (Linnaeus, 1758) D
Tweekleurig hooibeestje - Coenonympha arcania (Linnaeus, 1761) ZZZ
Veenhooibeestje - Coenonympha tullia (Müller, 1764) ZZ
Voorjaarserebia - Erebia medusa (Denis & Schiffermüller, 1775) D
Zilverstreephooibeestje - Coenonympha hero (Linnaeus, 1761) V
Zomererebia - Erebia aethiops (Esper, 1777) D

[Bron: Natuurcompendium RIVM 2003]



Voor wie nóg meer wil weten zijn hier wat links naar andere sites:


De vlinderstichting
De dagvlinders van Europa, Stichting ETI
Vlinders Kijken: site voor kinderen van de Vlinderstichting
Vlinders Kieken: kiekjes nemen van vlinders
Dagvlindersite van Harm Alberts
Rode lijst van de Nederlandse vlinders
[pagina opgeheven]
Bedreigde dagvlinders
[pagina opgeheven]
Digischool dagvlinderpagina
Kleurplaten van rupsen en vlinders
[pagina opgeheven]
De Broekelzen: rivierboslandschap dat lijkt op de Niënhof
[pagina opgeheven]
Erg mooie Duitse dagvlindersite



terug naar de vorige pagina